De Duurzame ontwikkelingsdoelstellingen : de 10 dingen die België moet doen

In juli legt België een eerste bilan voor aan de Verenigde Naties van wat ons land inzake duurzame ontwikkelingsdoelstellingen heeft verwezenlijkt. Een ruime vertegenwoordiging van de Belgische civiele maatschappij stelde 10 aanbevelingen op voor de Belgische instanties die hiervoor bevoegd zijn.

Een eerste Belgisch voortgangsrapport?

België neemt van 10 tot 19 juli deel aan het High Level Political Forum (HLPF) van de VN in New York. Ons land legt er een eerste rapport voor over wat het in zijn intern en extern beleid heeft verwezenlijkt m.b.t. de 17 duurzame ontwikkelingsdoelstelingen (1) . Het nationaal rapport 2017 is een eerste dergelijke oefening, en spreekt zich uit over alle regeringen in België. Het is trouwens premier Charles Michel die de VN zal toespreken. Vanaf dan zal België om de twee jaar zo’n SDG-verslag moeten voorleggen.

Wat vindt de civiele maatschappij ervan ?

Toen aangekondigd werd dat België een eerste rapport zou opmaken, hebben de organisaties van de civiele maatschappij duidelijk gemaakt dat ze hieraan op een positieve manier wilden bijdragen. Voor ons moet het rapport meer zijn dan een inventaris van initiatieven. Het moet voldoende concrete politieke elementen bevatten om goed in te schatten waar België nu staat, en waar verbetering mogelijk en noodzakelijk is. Voor de civiele maatschappij moeten alvast volgende 10 beknopte voorstellen in België’s eerste rapport terug te vinden zijn. 

1. Een holistische aanpak

De maatregelen moeten in lijn zijn met alle door België geratificeerde mensenrechtenverdragen (de rechtenaanpak), met de universaliteit van het SDG-kader, en met de solidariteit tussen generaties. Tegelijk verwachten we een sterke beleidsvisie op duurzame ontwikkeling: prioriteit geven aan een economie die sociale doelstellingen dient, en rekening houdt met de begrensde mogelijkheden van de planeet.

2. Een ‘transformatieve’ visie

We vragen voorrang voor maatregelen die een rechtvaardige oplossing bieden op lange termijn, en voor die doelstellingen die zorgen voor echte uitweg uit de economische, sociale en ecologische malaise, met respect voor internationale verbintenissen.

3. Een evenwicht tussen intern en extern beleid

Het nationaal en internationaal beleid moeten een antwoord bieden op gemeenschappelijke uitdagingen voor alle landen. België moet er wel rekening mee houden dat ontwikkelingslanden doorgaans het sterkst getroffen worden door die wereldwijde uitdagingen. Het is dan ook uiterst belangrijk om de externe dimensie van het Belgische beleid uitdrukkelijk een plaats te geven in de verwezenlijking van de SDG, en zeker ook in dit rapport.

4. Een coherent beleid voor duurzame ontwikkeling

Men moet kunnen nagaan of er echt een coherent beleid voor duurzame ontwikkeling wordt gevoerd, zonder iemand schade te berokkenen (‘do no harm’). Het is daarvoor nuttig een hervorming van het RIA-proces te overwegen om zo de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen in te passen in het proces van analyse van de impact van de regelgeving op duurzame ontwikkeling op het interfederale niveau.

5. De strijd tegen ongelijkheid

De overheid moet in alle sectoren efficiënte mechanismen introduceren die de evolutie van ongelijkheid opvolgen en wegwerken. Voor alle groepen in onze samenleving, wat ook hun geslacht, leeftijd, herkomst of verblijfplaats is.

6. De genderdimensie

Conform het ‘leave no one behind’-principe, kan de verwezenlijking van de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen niet zonder een genderspecifieke analyse en dito beleid. Dat is nodig om aangepaste strategieën uit te werken, in nauw overleg met de betrokken partijen, mannen, vrouwen en iedereen die zich niet tot één van beide categorieën wil laten behoren (LGBTQ).

7. Medewerking en participatie van iedereen

Om de civiele maatschappij goed en kritische te laten deelnemen aan het meten van vooruitgang is een goede doorstroming van informatie cruciaal. Er moet voldoende zicht- en meetbaarheid van de ontwikkelingsdoelstellingen voorhanden zijn, en openheid voor dialoog daarover. Optimale samenwerking tussen de verschillende institutionele actoren is noodzakelijk en spoort met de basisfilosofie die in de aan de doelstellingen voorafgaande verklaring wordt uitgelegd.

8. De middelen mogen niet achter blijven

De verenigde naties schatten dat de uitvoering van ‘Agenda 2030’ minstens 2.500 miljard dollar extra zal kosten ten opzichte van de huidige uitgaven voor duurzame ontwikkeling. Zonder echte bereidheid om de fiscaliteit te hervormen, en te garanderen dat bij budgettaire maatregelen niet wordt bespaard op solidariteit met de bevolking van ontwikkelingslanden, zal dit niet mogelijk zijn.

9. Pertinente indicatoren

Op basis van de globale indicatoren van de VN, van bestaande indicatoren voor duurzame ontwikkeling en indicatoren die een alternatief bieden voor het BNP, moet België ook eigen specifieke indicatoren uitwerken. Daarvoor moeten  bijkomende genderspecifieke indicatoren worden voorzien, en/of genderspecifieke opsplitsing van gegevens, en meting van de impact van beleid op specifieke doelgroepen zoals jongeren. 

10. Het rapport is een start voor de volgende 15 jaar

Het rapport 2017 moet een referentiepunt worden: een vertrekpunt voor het opvolgen van de vooruitgang die België realiseert op vlak van de 17 duurzame ontwikkelingsdoelstellingen. Het is een kans om een indicatie te zijn van het ambitieniveau van ons land, en een houvast voor het regelmatig bijsturen van het beleid in de loop van de volgende cruciale jaren voor mens en planeet. 

Wat komt er nu ?

Het rapport wordt tegen eind juni afgewerkt. Het moet immers aan de vooravond van het HLPF op de site van de Verenigde Naties beschikbaar zijn. In de tussentijd volgt het Federaal Instituut voor Duurzame Ontwikkeling de actualiteit i.v.m. duurzame ontwikkeling en de realisatie van de ontwikkelingsdoelstellingen op de voet. Alle info daarover op www.sdgs.be